Paarse narcissen.

Zo heel af en toe heb ik een kutziekte.

Begrijp me niet verkeerd, meestal ben ik helemaal niet bezig met mijn ziek-zijn. Zolang mijn scootmobiel nog stroom heeft tuf ik vrolijk de hele stad door. Feitelijk kan ik een hele hoop, als ik er maar voor zorg dat niet te lang te doen, en in de buurt van stoelen of ander tot zitplek om te dopen materiaal. Maar soms, heel soms, als alles tegenzit, dan heb ik gewoon een kutziekte.

Neem nou vandaag.
Het is vrijdag, en mijn middelste stuiterbal heeft zwemles. Om kwart voor drie vis ik dus de jongste uit bed en waggel twee trappen af naar de kapstok. Daar heb ik me voorbereid en staan fietskar, buggy, buggystandaard -mijn scootmobiel is van alle gemakken voorzien- en tas met zwemkleren en ander spul al klaar. Ik instrueer Tijger in zijn jas en schoenen terwijl ik de jongste in een houtgreep hem omdat hij zijn schoenen niet aan wil. Bijna twee en goed aan het puberen.
Als hij min of meer een jas aanheeft verplaats ik hem naar de fietskar, waarbij ik hem bijna laat vallen omdat hij zich los wurmt. Tegen de tijd dat hij zit zie ik sterretjes.

Zoon nummer twee is inmiddels de katten aan het aaien en Nanne zijn D&D dobbelstenen aan het bestuderen. Ik attendeer hem erop dat we naar zwemles moeten en dat dat beter gaat als hij zijn schoenen aan trekt. Terwijl hij iets moeilijks doet met een sok pak ik mijn skibroek, sjaal, oorwarmers, muts en handschoenen en hang die over de fietskar. Ik heb het gauw koud, maar als ik ze nu al aantrek ga ik subiet van mn stokje. Om de een of andere reden is te warm ook nooit goed. Als ik me omdraai heeft Moreno nog steeds maar één sok aan. Tegen de tijd dat ik in de parkeergarage aankom om me dubbel te vouwen om de fietskar aan de scootmobiel te koppelen doen mn armen en rug goed zeer. En kom ik er bovendien achter dat ik, heel handig, eerst de buggy aan de scooter had geklust, wat inhoudt dat ik nu niet bij de kogel van de fietskar kan. Eigenwijs als ik ben ga ik dat eerst toch proberen, om er dan pas achter te komen dat dat niet gaat, de buggy er weer afmoet, fietskar eraan, buggy er weer op.

Ik plof neer op de zitting en wacht tot het waas van sterretjes optrekt.
Waar was ik ook al weer naar onderweg?
Oja, zwembad.
Met behulp van een wig hou ik de deur van de garage open -gespiesde fietskar door garagedeur met megadranger is leuk voor een andere dag- en begin aan de rit naar het zwembad.
Aldaar doe ik het allemaal nog eens maar dan in omgekeerde volgorde.
Kar afkoppelen, op slot, kleinste kind op schoot. Betalen voor het zwemmen terwijl hij probeert het pinapparaat te ontwortelen. Tijger terugroepen uit de kantine, scootmobiel parkeren, buggy eraf, Lysander in de buggy. Een kleedkamer met plek zoeken, Tijger nog maar eens terugroepen uit een heel andere kleedkamer -adhd was niet erfelijk, toch?- en hem zelf maar uitkleden.

Het zwembad heeft een mooie routine.
Je haalt bij de ingang je pasje door een apparaat en dan krijg je een geplastificeerd kaartje me een kleur. Met die kaartjes ga je naar de kleedkamer, tover je je kind om naar zwemkledij en wachten de kinders collectief in de douches tot de deur open gaat. Alwaar een zwemjuf de kaartjes daar inneemt. Er zijn vier kleedkamers en een hoop ouders. De meeste daarvan hebben geen zin om ofwel hun schoenen uit te doen, danwel van de mooie hoesjes eroverheen te draperen. Ergo: die staan in de deuropening van kleedkamer naar douches hun kroost te bestuderen.

Precies daar waar ik met mijn kinderwagen doorheen wil.
Ik wurm mij, inmiddels ontdaan van skibroek, muts, sjaals, jas en trui, door de ouders heen en zak tegen de muur van de kleedkamer op het droogste stukje grond wat ik tegenkom. Douches hebben meestal geen zitplaatsen. Als de deur opengaat wurm ik mij zo snel mogelijk terug de kleedkamer in om de meute voor te zijn. Na weer even op de bank gewacht te hebben tot de mooie paarse sterren zich weer in het luchtruim vervoegd hebben zoek ik mn scootmobiel maar weer eens op. Een vriendelijke papa duwt de buggy naar de ingang waar hij Lysander voor t raam naar het peuterbadje parkeert.

Drie kwartier wachten volgen. Nemo gedraagd zich voorbeeldig, ik heb een arsenaal aan fruit, snoep en speelgoed meegenomen om hem rustig te houden en hij klimt niet één keer uit de buggy. Alhoewel dat niet is omdat hij het niet probeert.
Ik zit naast hem, en voel me ziek.
Ziek, en schrééuwend jaloers.
Op die andere ouders, daar in de kantine.
Die andere ouders, met hun peuters, die vrolijk spelen aan tafel.
Die andere ouders, die achter de peuters aan kunnen lopen als ze weglopen.
Die andere ouders, die niet hoeven wachten tot ze geen sterretjes meer zien.
Die andere ouders, die niet chagerijnig reageren omdat hun kind een autotjes weggooit, omdat ze geen energie hebben om het op te pakken.
Die andere ouders, die in geval ook nog eens minder ondernemende kinders hebben, die dan gewoon blijven zitten aan tafel -iets wat je met Lysander niet hoeft te proberen, tenzij je graag wilt testen wat elektrische deuren met kindervingertjes doen, of hoe goed de vering van een auto is als hij over vijftien kilo peuter is heen gereden-.
Die ándere ouders.
Zónder ME...

Het peuterbad loopt leeg.
Het is kwart over vier, de les is voorbij.
Ik herpak mezelf en ga een kind afdrogen.
En aankleden, inpakken, aankoppelen en vastmaken.

Onderweg in het park bloeien de narcissen.
Die staan best leuk bij paarse sterren.

17:54:00 on 05-04-13 by Tylani - 1 comment